top

Penrose

  /    /  Bestuurdersaansprakelijkheid bij onbetaalde factuur
Een lege stoel in een donkere ruimte

Bestuurdersaansprakelijkheid bij onbetaalde factuur

Het komt bij een faillissement geregeld voor dat een schuldeiser de bestuurder van de gefailleerde vennootschap persoonlijk aansprakelijk stelt voor het onbetaald blijven van zijn factuur. Hieronder geef ik een overzicht hoe een dergelijke aansprakelijkstelling – aan de hand van jurisprudentie – wordt beoordeeld.

Uitgangspunt bij de beoordeling van een dergelijke aansprakelijkstelling is dat in beginsel alleen de vennootschap zelf aansprakelijk is voor (de gevolgen van) niet nakoming van haar verbintenissen. Voor de aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap geldt een hoge drempel. De bestuurder is alleen dan aansprakelijk wanneer hem van het niet nakomen van de betalingsverplichtingen en het onverhaalbaar zijn van de schade, persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze hoge drempel voor aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap zelf en niet van de bestuurder in privé. Een andere belangrijke omstandigheid vormt het maatschappelijk belang in die zin dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen voor de vennootschap in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vergelijk Hoge Raad 5 september 2014, NJ 2015,22, RCI Financial Services/K).

In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald blijven en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder die (1) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (2) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

De Beklamelnorm

Voor de onder (1) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Dit met uitzondering van door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem van de benadeling geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt (de zogenoemde Beklamelnorm naar HR 6 oktober 1989, NJ 1990/286, aangehaald in het hiervoor genoemde arrest van 5 september 2014, waaruit volgt dat deze norm in de kern de eis inhoudt dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden). Voor de vraag of de Beklamelnorm is geschonden gaat het niet om met kennis achteraf (bijvoorbeeld een faillissement) zijn handelen te beoordelen, maar om de situatie te beoordelen op het moment dat de overeenkomst is aangegaan. Het feit dat een vennootschap van meet af aan te kampen heeft met ‘liquiditeitskrapte’, is voor het aannemen van schending van de Beklamelnorm onvoldoende (vergelijk Rechtbank Overijssel 26 april 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:2236).

Frustratie van betaling en verhaal

In de onder (2) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan opgetreden schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (bijvoorbeeld het door de bestuurder toelaten of bewerkstelligen van vermogensonttrekkingen aan de vennootschap). In dit onder (2) bedoelde geval draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.

Het ligt bij zowel de hiervoor onder (1) als de onder (2) bedoelde gevallen op de weg van de benadeelde schuldeiser om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de bestuurder persoonlijk jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld.

Selectieve betaling

Een schuldeiser zou aan zijn vordering ook nog ten grondslag kunnen leggen dat de bestuurder zich schuldig heeft gemaakt aan selectieve betaling. Voor de beoordeling hiervan geldt als uitgangspunt dat een selectieve betaling op zichzelf niet onrechtmatig is en dat er ook geen algemene regel is op grond waarvan een schuldenaar gehouden is om zijn schuldeisers naar evenredigheid te betalen. Het staat een bestuurder vrij om zelf te bepalen welke schuldeisers als eerste worden betaald, ook als het gaat om betalingen aan gelieerde vennootschappen. Dit verandert op het moment dat duidelijk wordt dat een faillissement onontkoombaar is, althans de bestuurder er ernstig rekening mee moet houden dat niet alle schulden betaald kunnen worden. In dat geval moet de wettelijke rangorde van schuldeisers worden gerespecteerd. De bestuurder is in een dergelijk geval aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de selectieve betaling indien hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de vennootschap haar betalingsverplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor geleden schade. Bij de beoordeling is daarom van belang om te bepalen wanneer voor de bestuurder redelijkerwijs duidelijk moet zijn geworden dat bijvoorbeeld een faillissement onontkoombaar was, althans dat deze er ernstig rekening mee moest houden dat niet alle schuldeisers voldaan zouden kunnen worden.

Uit het voorgaande blijkt dat het niet eenvoudig is om de bestuurder van een vennootschap aansprakelijk te houden voor de door een schuldeiser geleden schade wegens niet nakoming van haar betalingsverplichtingen door de vennootschap.

Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid of heeft u te maken met vennootschapsrechtelijke issues waarbij u hulp kunt gebruiken? Neem dan contact op met Liza Sol, via e-mail (l.sol@penrose.law) of telefonisch via; 020-2400710.